Ik ben wat je noemt ‘the queen of confection’, voor mij geen dure merken of designerspul, wél veel-waar-voor-je-geldwinkels genre H&M, Vero Moda, Zara, Mango en WE. Ik winkel graag en vaak, maar ben er tot op heden altijd in geslaagd om niet in het rood te gaan. Meer nog, ik heb elke maand een leuk bedrag over dat ik braafjes op mijn spaarboekje zet. Mijn vader is dan ook boekhouder.
Dat iemand een modaal maandloon kan spenderen aan één handtas gaat mijn verstand te boven. Ik heb liever drie lowbudgetdingen dan één overexpensive designerstuk waar ik waarschijnlijk niet mee zou durven buitenkomen uit angst voor ongelukjes. De 'self fulfilling prophecy' indachtig, zijn zulke dure spullen natuurlijk extra gevoelig voor kleine accidentjes. Je weet wel, 'ik mag vooral niet morsen, dus ik mors'. Verder krijg ik een kick als ik een paar sterk afgeprijsde schoenen in mijn maat vind en kijk ik vooral uit naar de laatste dag van de solden voor de korting op de korting. En ja, ik heb ook mijn portie miskopen gehad, maar ach, een foutje van pakweg twintig euro is toch makkelijk te verteren.
Hoe ironisch dat uitgerekend ik - in volle recessie nog wel! - vorige week een bedrag met drie cijfertjes heb uitgegeven aan één broek. Zoveel geld voor een gewone jeans, waar behalve de merknaam niets extra's aanhangt wat de prijs kan verantwoorden. Geen gouden knopen of zilveren spijkertjes, enkel een duur labeltje op de achterzak. Maar hij zat zo lekker - dat hij nog wat spande was normaal, het model moet zich nog zetten - en dat is voor de gemiddelde vrouw voldoende reden om te zwichten voor een jeans. Toch?
Terwijl ik mijn bankkaart in de gleuf van de bancontact steek, flitst het ene na het andere cliché door mijn hoofd. 'Je werkt er toch hard voor', 'Je leeft toch maar één keer', 'Je mag jezelf toch eens verwennen'... En ach, het dieptepunt op mijn saldo is maar tijdelijk, want toevallig kreeg ik vandaag goed nieuws van het belastingfront: ik krijg een bedrag met vier cijfertjes terug! Van overcompensatie gesproken! En die eindejaarspremie, wanneer komt die?
Ik weet het, ik ben een uitzondering. Een have-no in een wereld vol have’s. En neen, ik heb het niet over smalle voeten, lange haren of een gouden ring. Wel over kinderen. Je weet niet wat je niet hebt als je ze niet hebt, zeggen ze. Yess dus.
Zo bleek onlangs nog maar eens. Ik ging shoppen met een vriendin die mama is. Van twee ukkepukken die nog slijmneuzen, chocohanden en zabbermondjes hebben. En zoiets, dat laat zo zijn sporen achter. Op je kleren. Maar ook op de manier waarop je kleren koopt. Zo leerde ik al snel.
Een jasje, dat moesten we hebben. Afin, neen, zij. Ik niet. Iets hips, dat spreekt. Liu Jo kon zoiets wel leveren, dachten we. En o ja! Een A-lijnvestje in grijze wol. Ik ging meteen loos. Nemen! Een poncho-achtig dingetje met serieus wat streetcred. Waw. Of neen: die bomber! In een blinkend bruin-bordeauxstofje met een gebreide tailleband. Ik stond te springen. Een kwartier voor sluitingstijd en we hadden het: het vestje van haar dromen.
Ze keek in de spiegel en ik zag haar ogen stralen. Ze deed de rits open, en weer dicht, draaide een rondje en haalde haar mooiste smile boven. Sprak toen het magische woord: JA. JA! JA!!! ! Een vestimentair orgasme van de bovenste plank.
Of toch niet? Plots zag ik haar neus krullen, haar smile droppen en haar ogen spiedend naar de binnenkant van het vestje racen. Verwoed greep ze naar het etiket. Wat ze las, beviel haar niet. Haar armen gingen de lucht in, en met een wanhopige blik vroeg ze aan de verkoopster: mag dit in de wasmachine?
De verkoopster beet op haar lip. Schudde het hoofd. “Dat denk ik niet, neen.” Het vestje belandde weer in de paskamer. Het had iets troosteloos.
Het was vijf na half zeven. Te laat voor iets anders. Iets wasbaars. Iets dat wel bestand is tegen kinderen met vieze handen, vettige neuzen en chocoladen monden.
Of het in de wasmachine mag... Het is iets wat ik nog nooit gevraagd, gecheckt of bekeken heb, besefte ik. Een hele andere wereld, quoi, die van mama’s & co.
Ik heb iets met muzikanten. Geen idee hoe dat komt, maar gelukkig heb ik vriendinnen die daar prachtige theorieën over kunnen ontvouwen. 'Je wil dat kunstzinnige gen aan je kinderen doorgeven' beweert eentje. Een andere houdt het meer down-to-earth, iets met getrainde vingers enzo.
Ik kan het maar moeilijk met hen eens zijn. Omdat ik niet als een volleerde Pamela des Barres alle optredens afschuim om de zanger te versieren. En alvast een optie neem op de drummer. Nee, ik leer mijn vriendjes kennen op de reguliere plekken: op café, op een feestje, zelfs een keertje -hoe cliché- in de trein. Pas na enkele gesprekken valt het meestal: ik ben gitarist (vrij te vervangen door drummer, dj, zanger, bassist of human beatbox). En dan loopt het gewoonlijk ook fout.
Want er zijn heel wat voordelen aan een muzikale affaire, al situeren die zich vooral op het gebied waar er gratis drank te versieren valt. In praktijk blijken de nadelen op te wegen: muzikanten hebben altijd een prachtexcuus om afspraken niet na te komen (sorry schat, ik moet écht gaan repeteren), en met de ongrijpbare muze 'de muziek' is het nogal moeilijk concurreren, zelfs met killer heels en rode lippen. Bovendien blijken de meeste muzikale talenten in mijn kleine stadje elkaar nogal goed te kennen, wat toch enige schade kan toebrengen aan je reputatie.
En toch. Kom ik er af en toe weer eentje tegen. En weet ik dat het slecht afloopt als hij zegt: kom je volgend weekend niet naar mijn optreden kijken? Maar dan denk ik aan mijn toekomstige kinderen, die misschien toch maar iets muzikaals moesten meekrijgen. Of zou het dan toch aan die vingers liggen...
‘Over die verliefdheid,’ zei een vriendin me gisteren, ‘een goede raad: niet onderdrukken. Doe er wat aan. Zeg het hem.’ Ik knikte en mompelde iets van van ‘jajammhweetniet..’ en ging maar snel weer verder met koken. ‘Maar je wéét hoe ik ben,’ verdedigde ik mezelf. ‘Ik ben verschrikkelijk slecht met confrontaties. Ik kàn het niet.’ Mijn vriendin schonk nog wat wijn in en keek me, een beetje medelijdend, aan. ‘Je moet er wat aan doen. Echt.’ En ik nam me voor dat ik het daadwerkelijk ging doen. Mijn liefde verklaren, aan hem. Net zoals ik dat van plan was vorige week. En de week daarvoor. En al die keren dat ik zijn nummer begon te toetsen, maar dan toch niet op het groene telefoontje durfde te drukken. Ik had me lang achter mijn angst voor confrontaties kunnen verstoppen, maar dit werd een beetje belachelijk. Vooral als je bedenkt wat er onlangs gebeurde, toen ik op het vliegtuig zat, op weg naar huis.
Tijdens die vlucht begon het toestel behoorlijk raar te doen, al van bij het opstijgen. Het ding begon namelijk al weer naar beneden te vallen. Niet dramatisch, we zijn niet neergestort, maar de luchtzakken die we door moesten waren voldoende om me de schrik van mijn leven te bezorgen. Mijn hart stopte, ik greep de hand van mijn vriendin die met me op dat vliegtuig zat en die mijn trillende hand met graagte fijnkneep, en ik dacht:’als ik nu neerstort, is het voorbij. Dan zal ik het hem nooit kunnen vertellen. Wat jammer. Wat een fucking kut zonde. Als ik hier ooit levend uitkom, dan ga ik het hem zeggen, wat de uitkomst ook mag zijn.’ Drie uur later landde het vliegtuig zonder problemen, en begon ik met het maken van mijn plan. Want als hij de enige is aan wie ik denk op het moment dat ik denk te sterven, dan is het duidelijk tijd voor actie!
We zijn nu welgeteld drie weken, en vijf kansen op een bekentenis verder. Blijkbaar zorgt een bijna-dood-ervaring (als ik dat gedaal tijdens het stijgen van een vliegtuig ervaar als bijna-sterven, telt het als bijna-dood-ervaring) er helemaal niet voor dat je al sneller je stoute schoenen aantrekt en even gaat zeggen: ‘hey, Ik word misselijk als ik je onverwacht zie, en ik krijg buikpijn als ik weet dat je zal langskomen. Ik moet huilen nadat je vertrokken bent en dankzij jou kan ik niet slapen of eten. Kortom, ik denk dat je de man van mijn leven bent, en ik ben erg verliefd op jou, en ik vond dat je dat moest weten. Ook al kan je nu mijn hart grijpen, het in stukjes smijten en er nog wat op gaan springen ook. Het maakt niet uit, zolang ik het maar weet. Want ik wil die onzekerheid niet meer.’
Blijkbaar maakt het wel uit, en heb ik maar besloten dat ik nog best even met die onzekerheid kan leven. Want het is best eng om je hart daar zo open en bloot te laten bengelen. En jongens zijn vaak onhandig, hoe kan je hen nu zo’ n meisjeshart toevertrouwen? Misschien vertel ik het wel binnen een week of twee, als het écht niet meer kan… Hoelang kan een mens nu weer zonder slaap overleven?
...that’s the question, na bijna vier jaar samen. In die tijd hebben we zo goed als alle relationele stadia doorlopen – van de veel te krappe eenpersoonsstudio moveden we naar een ruimer huurappartement dat al snel ingeruild werd voor een eigen bescheiden gezinswoning en de eerste baby zit intussen al in de kruipfase - alleen dat trouwboekje ontbreekt nog. Ik wil wel. Hij ook. Hij heeft me zelfs al gevraagd, toen we op een avond romantisch in de zetel zaten. Alleen niet officieel - en op die ring wacht ik ook nog steeds. Maar soit, we zouden gaan trouwen. Op een dag. Cool! Alleen komt het er niet van. Zoals het er nu naar uitziet wordt het weer zo’n langetermijnplan, genre, ‘Schat, we moeten eens de binnendeuren schilderen.’
Het ligt ook wel voor een stuk aan mij hoor. Ik heb altijd verkondigd dat trouwen niets voor mij is. Ik ben nu eenmaal niet het type roomsoezige bruidje dat al sinds haar Barbietijd droomt van haar big day. Al dat georganiseer zie ik gewoon niet zitten. Een jaar voorbereiden, plannen, stressen en onvermijdelijk ruziën voor hooguit één dag, no way! Limo’s of koetsen? Bryan Adams of Céline Dion voor de openingsdans? Viergangen of een groots Breugheliaans buffet? Ik heb al op voorhand een indigestie. En dan is er nog DE vraag: wat moet ik aandoen? De eerste bruidsjurk die ik graag zie, moet nog gemaakt worden. Trouwens, als ik er zo over nadenk, heb ik aan de meeste huwelijksfeesten vooral ‘liever zij dan wij’-gevoelens overgehouden. Zo’n tot in de puntjes georkestreerde ceremonietoestanden, jakkes! Daarover zijn we het alvast eens. Het moet kleinschalig blijven en vooral geen fortuinen kosten, want we zitten nog met verbouwingen. Maar hoe het dan wel zou moeten, daar geraken we niet uit.
Gisteren kregen we ineens de ingeving om ‘het’ stiekem te doen, zo’n beetje op z’n Las Vegas’; gewoon twee toevallige voorbijgangers strikken als getuige, volmondig ‘ja’ zeggen voor de Schepen van de Burgerlijke Stand en hop onze handtekeningen zetten. Dan zouden we onszelf trakteren op een dinner by candlelight en daarna als echte jeunes mariés ‘vroeg gaan slapen’. Niemand zou het ooit te weten komen, het zou ons geheimpje blijven. Hoe romantisch is dat?! En gewaagd. En haalbaar. Maar zo triviaal als een nieuwe identiteitskaart gaan halen. En daarom toch maar niet. Want ik wil er op zijn minst mijn en zijn ouders bij en mijn broer en schoonzussen. Maar dan moeten we ook wel de grootmoeders vragen, en de tantes, de nichten en neven, en zeker mijn beste vriendin want zij had mij toch ook op haar trouw uitgenodigd… Aargh! En zo zijn we terug bij af. “Een baby is toch het ultieme boterbriefje?”, is momenteel ons lievelingsexcuus. Maar wie weet,op een dag…
'Ja, we hebben gekust, So? Wat wil dat nu zeggen?' Niks, zo denken mijn vrienden en ik erover. Zolang jij niet in een relatie zit, en hij/zij ook niet, maakt het allemaal niks uit. Van die ene leukerd op het feestje die je toch nooit meer zal zien, tot je homoseksuele beste vriend, waarvan je weet dat hij het ook gewoon leuk vindt, en niets meer. Kussen is als een drankje, foute muziek met veel te luide beats en erg hard dansen: het hoort gewoon bij een feestje. Of bij een avondje op café. Of een vakantie met je beste vriendin. Of een citytrip met ex-klasgenootjes. Of een fout bedrijfsfeest. Het maakt niks uit, wij draaien onze hand er niet voor om.
Althans, tot voor kort. Want daar waar ik meestal mijn hoofd (en hart) niet gek laat maken door 'gevoelens' en 'verwachtingen', lijkt mijn dichtgemetseld muurtje stilaan af te brokkelen. En ik vind het nog leuk ook! Het maakt me niks uit dat ik niemand meer kan kussen, dat mijn 'vrije liefde'levenshouding plots onwennig voelt. Want, ook al weet hij het niet, en ook al zal het waarschijnlijk toch niks worden, ik ben verliefd, en verliefd zijn is nog steeds de beste remedie tegen verkoudheden, het beste dieet dat er bestaat, en de meest doeltreffende mooimaker ter wereld. Nog nooit heb ik zo vaak te horen gekregen dat ik er 'toch echt goed uitzie', mijn zin in snoep, taart, en zowat alle andere voedingsmiddelen is gereduceerd tot nul, en de gigantische hoeveelheid snot in mijn hoofd verhindert me niet om alsnog vrolijk fluitend door het leven te stappen. Ik wist eerst niet zo goed wat er met me aan de hand was, tot ik besefte dat het, na al die jaren, nog eens zo ver was: de vlinders hadden me weer te pakken gekregen. De smeerlappen. Na dat besef bedacht ik me dat ik twee opties heb: ik biecht mijn gevoelens op aan de persoon in kwestie, bereid me voor op een harde afwijzing, en raap, na afgewezen te zijn, de stukjes van mijn hart weer op, en probeer ze weer in elkaar te puzzelen, in mijn eentje aan mijn keukentafel (meligheid is nog steeds de meest irritante bijwerking van verliefdheid). Of ik negeer het feit dat ik effectief iets kan doen met die gevoelens, idealiseer het object van mijn affectie compleet en leef op een roze wolk tot het gedoe weer voorbij is, en ik weer nuchter door het leven kan. Optie twee lijkt me het meest aangewezen, ontkenning is niet voor niets een van de dingen waarop ik mijn leven baseer. Bovendien hoor ik nagejaagd te worden, zijn mannen geen jagers met killerinstinct (of hoe zat dat ook alweer)? En hou ik er niet van om het heft in eigen handen te nemen. Of afgewezen te worden. Ik wil alleen genieten van de voordelen. En van het feit dat ik al twee weken niet gescrubd heb, en mijn huid toch babyzacht aanvoelt en ik bovendien al twee weken geen boodschappen heb moeten doen. Wat nu economische crisis?
Vooraf even dit: ik ben niet zo'n type vrouw dat begint te zwijmelen bij Sean Connery, Tom Cruise of godbetert Koen Wauters. No way. Het aantal celebheren die mij een draai in de maag kunnen bezorgen, beperkt zich tot twee. En één van die twee is Clooney. George Clooney. Georgeous George.
Vraag me niet waarom. Of vraag me wel waarom. Maar reken er niet op dat je een antwoord krijgt. De Clooney-kracht zit 'm niet in de kleur van zijn ogen, de vorm van zijn linkeroor, de lengte van zijn manen of de spieren op zijn onderarmen.
Nope, George is gewoon George. Afin, ongewoon George. Want zoals George, mijn George, zo zijn er geen twee.
Boos was ik dus, deze week - of was het de vorige? - toen ik zo'n paar mediapipo's hoorde opperen dat Kris Peeters de Vlaamse George Clooney zou zijn. Wegens hier en daar een fluwelig trekje dat onder die heel sterke microscoop weleens hetzelfde zou kunnen zijn: "die blik, wacht ja, zo, als ie zo kijkt en die schaduw daar zo op zijn gezicht laat vallen, waaaw!"
Bulshit. Kris Peeters is een Vlaamse verkavelingsman die op zondag naar de bakker gaat om goedgebakken pistolets, die 'en famille' in het soort meubelboulevard-salon gezellig zit te wezen en die er nog niet zou aan denken om met in toevallig ontbloot bovenlijf en van die sexy caterpillar bottines naast hem een of ander rapport te lezen.
Kris Peeters is een familyman van het vlakste soort, een middenstander met gladde streken. En zo'n middenstandse familyman is niet georgous. Laat staan sexy. Clooney is singlesexy, is 'ik geef je het gevoel dat ik je kan krijgen maar vergeet het' sexy, 'ik ben een lonely runner' sexy, of 'ik heb een intrigerende ziel' sexy. Niets. Niets van dat alles is ook maar een beetje van toepassing op de man wiens naam ik hier zelfs niet meer ga noemen.
Sorry, maar dat moest er even uit.
Al twee jaar en drie maanden loop ik rond met een stevige snor. Niet zo eentje van de harige soort, maar wel een ‘pigmentsnor’ oftewel een hardnekkig uitlopertje van het zwangerschapsmasker. Een gevolg van losgeslagen hormonen blijkbaar, waardoor er pigmentophopingen ontstaan die - in tegenstelling tot je egaal gebruinde velletje - na de zomer weigeren om de aftocht te blazen.
Als ik in de spiegel kijk, zie ik achtereenvolgens Nietschze, Zorro en Adolf Hitler de revue passeren. Ik had er mijn omgeving reeds herhaaldelijk attent op gemaakt, maar niemand leek zich eraan te storen. Sterker nog: die snor zou een product zijn van mijn verbeelding. Tot ik op een dag voorbij het schoonheidssalon in de straat loop en de bezorgde uitbaatster mij vanaf de overkant naar binnen roept. “Ik zie je hier elke dag passeren op weg naar de parking”, vertrouwt ze me toe. “En ik wil je maar laten weten dat ik voor je probleempje (met wijds gebaar onder haar neus) een erg efficiënte oplossing heb.”
Zij kan dus pigmentsnorren spotten vanop vijftien meter afstand. Iets waar mijn vriend zogezegd vanop drie centimeter niet in slaagt.
Blijkt dat ze mijn moustache in enkele seconden tijd weg kan laseren, sterker nog, ze wil er zelfs geen geld voor. Ik mag het als een ‘burendienst’ beschouwen. Of ik nu mijn snor laat laseren of een sixpack eitjes kom lenen... Ze ziet het verschil niet. Lang leve het buurtgevoel!
Inmiddels is het vijf dagen geleden dat ik me aan haar deskundige handen heb overgeleverd en ik meen al enige verbetering te bespeuren. Mijn entourage (hetzelfde entourage dat enkele weken geleden niet eens een snor kon bespeuren...) is dezelfde mening toegedaan. Over drie weken mag ik teruggaan voor een tweede behandeling en mijn buurvrouw meent dat ik na drie behandelingen wel van mijn probleempje (alweer dat wijdse gebaar onder haar neus) verlost zal zijn. Wordt vervolgd.
Het gaat niet goed met de economie, zo wordt gezegd. Sommigen klagen er zelfs over, meer bepaald enkele van mijn vrienden met een eigen restaurant: de eerste slachtoffers van een collectieve buikriemaanhaling.
Niet dat het aan mij ligt. Ik heb een groot hart en ben gezegend met de gave een slinkend saldo op mijn rekening snel te vergeten. Op vrijdagavond gaat mijn steun dan ook volledig naar de dupes van de recessie: voorgerechtje bij de ene, hapje bij de andere en dit alles overgoten met respectabele hoeveelheden wijn. Zaterdagmiddag word ik wakker met een lichte hoofdpijn. En zie ik dat ik alle lichten heb laten branden.
Na een douche gaat het beter met mijn hoofdpijn, maar stuit ik op een ander probleem: niets, maar dan ook absoluut niets, om aan te doen. De stad in dus, waar ik al snel de jurk van mijn dromen zie hangen. En ook laat hangen wegens onbetaalbaar. Ter compensatie plunder ik de H&M, om tot de conlusie te komen dat dit vestimentaire equivalent van een vreetbui me ongeveer evenveel heeft gekost dan de jurk in kwestie.
Zaterdagavond. Niets zo vervelend dan thuis zitten met nieuwe kleren, tenzij je muren hebt die je spontaan complimentjes geven. (Sommigen halen daar een man voor in huis, ik ben nog niet in dat stadium). Gelukkig is er een jarige vriendin met feestje, maar daar kan je weer niet met lege handen aankomen. Ik doorzoek mijn hele appartement, maar het enige dat als cadeau in aanmerking komt is een fles champagne, nét iets te duur eigenlijk. Ach ja.
Zondagmiddag brandt alweer het licht wanneer ik wazig wakker word, plots zie ik ook de rekeningen op mijn kast weer liggen. En ik bedenk me dat ik mijn levensstijl toch nog niet helemaal heb aangepast aan de economische crisis. Gelukkig maar dat ik niet al te veel spaargeld heb.

Nieuw commentaar