'Ben je verliefd op hem?' Ik sta buiten het restaurant een sigaret te roken met vriendin D., die me net haar nieuwe vriend heeft voorgesteld. 'Tuurlijk, waarom zou ik anders iets met hem begonnen zijn?' Omdat het lang geleden is dat je er nog eentje gestrikt hebt, denk ik. Omdat het koud is in de winter. Maar ik zwijg. Nieuwe lieven van vriendinnen, daarover zeg je liefst zo weinig mogelijk.
Wat ik van hem vind, wil ze nog snel weten, voor mijn sigaret op is. In mijn hoofd gaat een alarmlampje branden. 'Moeilijk te zeggen, ik ken hem nog maar net'. Soms specialiseer ik in standaardantwoorden. 'Maar wat is je eerste indruk?', dringt ze aan. 'Goh, hij lijkt me leuk. Een beetje stil misschien'. Sigaret op. Snel naar binnen voor ik kan zeggen wat ik denk. Dat ik hem het meest saaie wezen vind dat ik de afgelopen jaren heb ontmoet.
Even later informeer ik of de mannelijke vrienden mijn mening delen. 'Jij met je vooroordelen altijd', klinkt het collectief. Dat ik het haar niet gun, en dat ik waarschijnlijk gewoon jaloers ben. In een poging mijn hachje te redden, ga ik richting bar -'bier, iemand?'. Wat de sukkels niet beseffen, is dat ik het ben die binnenkort, in naam van de vriendschap, met D. en saaie piet naar optredens, brunches en erger zal moeten. Terwijl zij zich verder een bierbuik kunnen kweken en hem hoogstens in hun voetbalploeg moeten dulden.
Want wat mannen niet schijnen te zien, is dat dit geen grote liefde is, maar valse. Niet meer dan een wanhoopsdaad om niet voor de derde keer op rij alleen naar kerstdiners en familiefeesten te hoeven. Heerlijk moet het haar lijken, om in de 'wij'-vorm te kunnen spreken tegen tantes en grootnonkels, die opgelucht zullen ademhalen om dat ze 'dan toch van 't straat geraakt is'. Maar dat deze relatie de lente niet haalt, daar verwed ik mijn pinkje om. En de ruzies en spijt die daarmee gepaard zullen gaan, gun ik haar eveneens van harte. Zonder een streepje jaloezie.
‘Ik ben nogal een hartenbreker’, grijnsde hij, ‘maar jij moet je nog geen zorgen maken,’ fluisterde hij snel, met heel wat geknipoog en gewrijf over mijn been, ‘jouw hart ga ik nog niet breken.’ Oh jeetje, dacht ik, een stevige paniekaanval negerend, wat een SLIJMBAL. Ik wilde eigenlijk heel hard weglopen, maar heb gelukkig nog een beetje fatsoen, dus bleef rustig zitten, glimlachte terug en zei: ‘okee.’ Zo ben ik dan.
‘Allee, dat is toch lief’, vond mijn vriendin toen ik haar vertelde over de date in kwestie. Tot ik haar vertelde dat hij zo’n half uurtje later, in bed, mij ‘een lekker dier’ had genoemd, en mij vervolgens zo lang was blijven bepotelen (nadat ik al twee keer duidelijk had gesteld dat ik wou gaan slapen) dat ik van ellende gewoon op de bank ben gaan verderslapen. ‘Een lekker dier’ vond ze er toch ook over gaan, en het feit dat ik me zo aan hem ergerde was waarschijnlijk een teken dat ik hem niet leuk genoeg vond om er echt iets mee te beginnen. Dat dacht ik ook, en we besloten dan maar dat het mansvolk gewoon een beetje gek en irritant was, en dat je nu eenmaal lang moet wachten op dat prinsgeval met zijn paard, als ie ooit de weg al vindt.
‘Wat is dat toch met die mannen?’ vroegen we ons af, nadat ik een kleine week na de date in kwestie alsnog zijn hart gebroken heb (zo ben ik dan ook wel). Ze zijn of te aanhankelijk, of te onafhankelijk. Ze maken extreem flauwe mopjes, op verkeerde momenten, waardoor ik – dankzij mijn bindingsangst – meestal al op de vlucht sla na een uur of twee. Ik word nogal snel afgeschrikt. Zo zorg ik er altijd voor dat ik, als ik iemand nieuw leer kennen, tenminste de eerste twee maanden niet samen met de nieuwe potentiële lover moet dineren. Niet alleen krijg ik meteen buikpijn in dergelijke situaties, ik ben in staat de romance meteen te beëindigen omwille van de keuze van een gerecht.
Mijn situatie overdenkend – je hebt soms van die zelfinzichtzondagen – bedacht ik me dat het misschien niet aan de mannen lag. Maar aan mezelf. Stel je voor! Er valt wel wat voor te zeggen, aangezien ik altijd degene ben die het op de een of andere manier uitmaakt. Ofwel door heel hard weg te spurten voor de meest banale redenen, ofwel door het zo te verpesten dat hij vanzelf wel gaat lopen. Het ligt misschien aan mijn mannen-antenne, die opnieuw afgesteld dient te worden, of aan het feit dat ik niet zo emotioneel stabiel ben, en op momenten van verdriet extreem veel nood heb aan affectie, terwijl ik op de goede momenten niet wil weten van al dat gedoe.Ik stuur verkeerde signalen uit, ik ben lief tegen mannen waarvan ik al op voorhand weet dat ik er toch niks mee wil, en (erg onhandig) ik negeer de mannen die ik echt leuk vind, waarna ik verbolgen achterblijf en me afvraag waarom ze geen interesse toonden. Niet moeilijk dat mijn mannen altijd een beetje vreemd zijn, wie zou nu niet gek worden van iemand als ik?
Tijd om er wat aan te doen dus. Wat, dat weet ik nog niet precies. Al zou het al helpen mocht ik de juiste personen niet meer negeren, en de foute exemplaren geen aandacht schenken. Benieuwd hoe dat loopt…
Stel dat ik er een zou nodig hebben. Een man. Waar zou ik die dan vinden? Geef toe, het is niet zoiets dat je zomaar op je boodschappenlijstje zet. Al zou het wel iets hebben. Naar Delhaize gaan, afdeling droge voeding en er eentje in je kar sleuren. Nee serieus, het is iets waarover ik de laatste tijd het hoofd wel eens wil breken. Gisteren nog, ik zat mezelf wat af te beulen in een fitness centrum. Plaats waar je volgens de boekjes de m/v van je leven kan opscharen, zoals ze dat zo mooi zeggen.
Ik niet dus. Nochtans heb ik mijn best gedaan. Gisteren dus. Ik ben er even bewust mee bezig geweest. Met het screenen van de mannelijke medemens tussen die sportieve zielen. Mannen die met hun waterfles over de fitte vloer struinen alsof ze hun vege lijf over een provinciaalse fuifvloer aan het dweilen zijn, pint Stella in de hand. Zoek de fit in fitness,quoi..
Maar dat is niet het ergste. Het gros van de fitte heren is echter om een andere reden ongeschikt als leefmaatje. En de reden, die zit hem in hun kleren. Negen op de tien sporties dragen zowaar de sporen van een strijkijzer op hun lijf. T-shirts met strijkplooien, shortjes met gladgestreken poepzijde en als ik iets dichterbij zou komen, wed ik er mijn heilige quadriceps op dat ook hun sokken onder het gladgestreken ijzer hebben gelegen.
Ik beeld me in hoe die plooien erin gekomen zijn. Zelf aan de strijkplank staan, dat zie ik ze niet doen, daar zijn ze het type niet voor. Ik wed er mijn tweede quadriceps op dat ze een meid in huis hebben, een huishoudster die net niet snugger genoeg is om te weten dat ze de sportkleren van my’lord beter onaangeroerd in de strijkmand laat liggen, want dat ie anders nooit aan een vrouw gaat geraken. Want dat elke vrouw die hen in zo’n strijklijfje ziet, terstond een angstaanval krijgt, en zichzelf al uren aan de strijkplank ziet staan, mijnheer z’n Adidasjes, Puma’tjes en Nike’tjes erdoor sleurend.
Zelf heb ik al lang afgehaakt. Ik heb zelfs geen strijkijzer in huis, kan het niet bedienen en wens het ook nooit te leren.
Misschien is het omdat ik een beetje ouderwets ben, maar het draaien van loeiharde muziek in kledingwinkels heb ik nooit echt gesnapt, laat staan leuk gevonden. Ik weet nog dat de eerste winkels waarin ‘gedraaid’ werden, werden aangekondigd als hippe places to be, waar je, naast het kopen van die ‘coole’ jeans ook even lekker kon ‘chillen op vette loungetunes’. Buiten het feit dat ik ‘loungetunes’ oersaai vind, zag ik toen het nut van die dj’s die achteraan in een winkel staan te draaien al niet echt in. Je hebt toch al je aandacht nodig bij het kiezen van die nieuwe, ‘coole’, jeans?! En ik heb nog nooit iemand spontaan in een dansje weten uitbarsten bij het buitenkomen van de paskamers, omdat de dj net een vette schijf had opgelegd.
Maar muziek in winkels kreeg voor mij echt een nieuwe dimensie toen ik voor het eerst de Urban Outfitters in de Antwerpse Feestzaal binnenstapte. Na een jaar eraan te kunnen weerstaan (een mens moet zijn spaarcentjes een beetje beschermen) besloot ik dat het als lifestylejournalist niet kon dat ik nog nooit in dé Urban Outfitters was binnengelopen, en dat ik – met gevaar op een nakend faillissement – het er toch maar eens een keertje op moest wagen. Want alle kleren waren er toch zo leuk, zei iedereen, en ze hebben er ook leuke dingetjes die eigenlijk geen enkel nut hebben maar gewoon leuk zijn om te hebben. En ik hou nu eenmaal van dingetjes, dus hup daar ging ik, dé urban outfitters binnen….
Alwaar de muziek loeihard stond en er bijna niemand in de winkel rondliep. Of het tweede een gevolg was van het eerste kan ik niet zeggen, maar ik ben alleszins als een razende door de winkel gespurt (nu ik er toch was kon ik evengoed alles meteen maar eens bekijken), om er zo snel mogelijk weer buiten te willen. Zelfs het potje nagellak in die leuke kleur die je absoluut moet hebben deze winter en ik nog niet in mijn nagellakschuif had zitten, heb ik teruggezet omdat ik geen zin had om vijf minuten te wachten aan de kassa in die TERINGHERRIE. Wat ik ook zo schreeuwde tegen mijn moeder, die mij, nadat ik vijf keer had gezegd dat ik de muziek toch best luid vond staan, nog niet had verstaan. Ik ben na een aantal weken nog een keertje teruggegaan, maar toen de muziek nog steeds even had stond, ben ik van de achteringang meteen doorgelopen naar de vooruitgang, mezelf voornemend dat ik in het vervolg altijd met oordopjes zou gaan winkelen. En niet meer in de Urban Outfitters zou komen.
Maar nu kreeg ik onlangs een cadeabon. Van dé Urban Outfitters uiteraard, o wrede speling van het lot. Ik ben natuurlijk van plan die te gaan inwisselen tegen de leuke dingetjes die je daar vindt, maar zal dit doen mét oordopjes, en klaar om een kleine volksbeweging op gang te zetten met de mensen die zich – ongetwijfeld lopen ze daar rond – ook blauw ergeren aan dat monotone, extreem luide, gedreun. Een ware volksbeweging tegen het belemmeren van de ongestoorde shoppinggang. Opdat we de volgende keer rustig kunnen winkelen in dé Urban Outfitters. Zonder Oordopjes. Jammer genoeg dan weer wel met gevaar voor een nakend faillissement.
Als er iets is waarop ik mij niet graag laat betrappen, dan is het wel leedvermaak. Zo krullen mijn mondhoeken zich nooit wanneer een vroegere liefdesrivale gedumpt wordt en laat ik het na om te schaterlachen als de babe van de avond over haar hoge hakken stuikelt. Zoiets vind ik onvolwassen en het past niet bij de klasse die ik mezelf –zo nu en dan- probeer toe te eigenen.
Maar het is niet omdat ik in dergelijke situaties niet onwillekeurig glimlach, dat er in mijn gedachten niet een klein beetje nagegetrapt wordt. Bijvoorbeeld wanneer een ex begint te internetdaten. Niet dat ik daar op neerkijk, het is begrijpelijk dat mensen door tijds- of andere gebreken hun toevlucht nemen tot de virtuele wereld om de ware liefde te vinden. Maar als een ex het doet, betekent dat zoveel als: ik kom nooit iemand van vlees en bloed tegen die aan jou kan tippen. En dan moet je al erg grootmoedig zijn om daar niet een tikkeltje triomf in te scheppen.
Helemaal leuk was dat hij me net daarvoor nog had willen bereiken. Met een sms’je: ‘hey, lang geleden, misschien moest ik nog maar eens bij je langskomen’. Ander voordeel van de virtuele wereld: hij ziet nooit de twijfel op mijn gezicht en de moeite die het me kost om een ‘liever niet’ te omschrijven. Zo lijkt het in tien letters alsof ik hem vergeten ben. Wat uiteraard niet zo is.
Misschien is dat verborgen leedvermaak niet meer dan een vorm van troost, een hulpmiddeltje om mijn rug te rechten als ik hem tegenkom – ‘zo, ik hoorde dat je aan het –euh- daten bent’. Dat ik op zo’n moment liever wil huilen dan onwillekeurig glimlachen, hoeft hij niet te weten. Per slot van rekening geldt voor tranen hetzelfde dan voor krullende mondhoeken : het is beter als ze niet gezien worden.
We komen elkaar wel eens tegen, beroepsmatig. Zij, het toonbeeld van perfectie, de Bree uit Desperate Housewifes versus me, het toppunt van middelmaat, de Susan uit de serie zeg maar. Als het lot ons die bewuste middag tegenover elkaar zet in de Thalys met bestemming Parijs, kan ik maar één ding denken: shiiiit!
Na het uitwisselen van de plichtmatige beleefdheden - ‘Hoe gaat het nog?’ ‘Goed’ ‘En op het werk?’ ‘Druk druk druk’ - valt het gesprek onherroepelijk stil. En vertrekt de trein voor de langste rit ooit in de geschiedenis van de Thalys. In een krampachtige poging om interesssant te doen - we zijn tenslotte vakgenoten - geraak ik meestal niet uit mijn woorden. Of begin ik te piepen als een veldmuis. Ze is het soort van ongenaakbare vrouw dat zich nooit slecht of onzeker voelt. Een dame van de wereld die over alles kan meepraten, vlotjes de leiding neemt als de situtatie het vraagt en aandacht zuigt als een Dyson stof. Ze heeft alles netjes voor elkaar, combineert moeiteloos werk en gezin én heeft daarnaast nog tijd over voor hobby’s en snoepreisjes.
Ze heeft geen grammetje vet te veel - het resultaat van een zelf opgelegd levenslang low carb-dieet aangevuld met gezonde voedingssupplementen - en ik kan me niet voorstellen dat ze ooit is opgestaan met een badhairday of godbetert, een pukkel op haar kin.
Ik nestel me in mijn zitje, zorg ervoor dat ik haar knie niet stoot terwijl ik mijn benen kruis en verstop me achter mijn sudokopuzzel, terwijl zij als een bezetene op haar laptop tokkelt. Zij checkt haar mails terwijl ik de tijd dood met trivia. How low can I go!
Als even later de kar met ‘refreshments’ door het gangpad rolt, volgeladen met voorverpakte schaaltjes plastic kip gegarneerd met een blaadje sla en drie uitgedroogde komkommerschijfjes, volg ik haar voorbeeld door het aanbod (verlekkerd) af te slaan. Niet omdat ik me in haar bijzijn niet wil verlagen tot het eten van fastfood, dan wel uit angst dat er een stukje kip op mijn broek zou vallen of nog erger, dat er sla tussen mijn tanden zou blijven zitten. In plaats daarvan bestelt ze een blikje antioxidanten - in de vorm van tomatensap - en vraagt me vriendelijk of ik het aub kan openmaken om haar pas gelakte nagels te ontzien. Een metalen lipje lostrekken is maar een kleine moeite voor mijn afgekloofde vingers, en intussen vraag ik me af of haar gemanicuurde handen al eens een vuilniszak hebben buitengezet. Waarschijnlijk niet.
Als ze later die avond uit de lift stapt met de sterallures van een filmdiva, gehuld in een jurk met rugdecolleté, kijkt de hele mannelijke hotellobby op vanachter hun zakenkrant. Nu begrijpt de rest van ons gezelschap - voor het merendeel gekleed in casual black - ook ineens waarom zij zo lang op zich liet wachten.
Naarmate de avond vordert, blijkt steeds duidelijker dat ze de regels van de etiquette perfect beheerst. Als een echte lady stapt ze pas in wanneer het portier van de taxi voor haar wordt geopend, laat ze zich behendig uit haar mantel helpen en vlotjes een stoel onder haar derrière schuiven. Ik erger me intussen te pletter en voel zelfs plaatsvervangende schaamte. Is het uit jaloezie omdat ze de hele wereld met het grootste gemak rond haar mooie vingers windt? Of besef ik ineens dat ik nooit zo’n dame zal zijn en dus nooit van dergelijke privileges zal kunnen genieten? Whatever.
Als ik die nacht in mijn superdeluxe Parijse boxspringbed duik, bedenk ik me hoe ontzettend vermoeiend zo’n steriel leven moet zijn. Hoeveel energie moet het niet kosten om er altijd piccobello uit te zien? Altijd gladgeschoren oksels en pasgewassen haar te hebben. Nooit een vlek op je witte blouse te maken? Nooit met je naaldhakken in een putje te blijven steken? Nooit stil te vallen zonder benzine op een plek zonder bereik? Doe mij dan toch liever mijn niet zo perfecte leven met ruimte voor verrassingen....
Je kan het het best vergelijken met het moment waarop je als enorme arachnofoob een reuzespin ziet zitten, net naast je hoofd. Je hart staat even stil, je haren rechtop en je weet niet goed wat je eerst moet doen: Je angst overwinnen en het beest doodslaan of gillend weglopen en ontkennen dat die dingen op pootjes eigenlijk wel echt bestaan. Ongeveer dezelfde gevoelens kreeg ik onlangs op het moment dat ik plots duidelijk besefte dat hij niets meer dan een zelfingenomen arrogante klootzak is. Je kan het beest altijd best bij de naam noemen, en die benaming omschrijft hem perfect. Het moment van besef zat er al enige tijd aan te komen, al enkele maanden begon het lichtjes te dagen dat hij misschien toch niet de prins op het witte paard/stalen ros (de één is romantisch, de ander praktisch) is. Dat hij niet zonder dt-fouten kan schrijven en soms wel eens een stomme opmerking maakt over mijn nieuwe kapsel zag ik nog door de vingers. Dat hij soms een gemene opmerking maakte over mijn (niet echt bestaande) seksleven, en hij enkel vriendelijk was als we alleen waren, en nooit dag zei als zijn vrienden er toevallig bij waren, waren al duidelijkere aanwijzingen. Maar dat hij nu een vriendin blijkt te hebben, en desondanks schaamteloos verder flirt met mij, geeft hem overduidelijk recht op de titel ‘asshole of the month’.
Net zoals na regen zonneschijn komt, komt na de black-out vlak na het inzicht, het moment waarop je jezelf weer in de hand krijgt, en dat beetje eer begint te redden dat er nog te redden valt. Alle mailtjes die je braaf van hem hebt bewaard ga eerst nog eens aandachtig lezen, bij ieder lief woordje ‘STOMME EIKEL’ roepen, en dan resoluut alles aanvinken en deleten, net zoals je bij al die smsjes zal doen. Daarna bel je net die vriendinnen op die ongeveer hetzelfde hebben meegemaakt, zodat zij ook een rondje kunnen meevloeken, en je duidelijk maken dat hij je echt niet verdient. En niet kan krijgen ook! Vervolgens bedenk je bij jezelf dat je het hem toch eens goed gaat zeggen wat je van de situatie en hem (wees creatief met die benamingen) vindt. Je neemt je telefoon en drukt zijn nummer in, en vervolgens op het groene telefoontje. Maar omdat je eigenlijk best wel wat telefoonangst hebt, druk je maar snel weer op het rode telefoontje, en besluit je een mailtje op te stellen. Want al schrijvend, deletend en herschrijvend kan je al makkelijker je gevoelens verwoorden. Als dat pareltje van een mailtje klaar is, maak je je klaar voor hét moment. Of je stelt het moment nog even uit, om er meer van te kunnen genieten. Maar wanneer je dan je muispijltje richting ‘send’ laat bewegen, blijft het plots hangen op’safe’. En druk je daar maar snel op. En besluit je er nog een nachtje over te slapen.
Maar, tegen alle verwachtingen in sta je de volgende dag op, open je die mailbox, zoek je de mail waarin je met hart en ziel al je gevoelens hebt uitgedrukt, en druk je alsnog op send. Om vervolgens met een klein hartje af te wachten. En te denken dat het leven soms toch net een beetje te veel pijn doet. Het is zoals Herman de Coninck het zegt: ‘En iedere dag een beetje sterven, zodat het tenslotte slechts een koud kunstje wordt…’
Acht jaar geleden ben ik voor het eerst gestopt met roken. De man van mijn leven bleek een niet-roker te zijn en ik besloot na afloop van onze eerste nacht samen dat één teug van de liefde (ook wel piemelroken genaamd) me meer genot bezorgde dan een slof blonde Gauloise. Ik riep mezelf spontaan uit tot niet-roker, doch werd door mijn vriend steeds weer betrapt in compromitterende poses met één van mijn walmende vriendjes. Stijf bevroren op het dak (waar hij me nooit had gevonden als ik de dakgoot had laten zitten), rechtstaand op de wc met mijn hoofd bij het afzuigraampje, onder de dampkap van het fornuis...
Dankzij een ijzeren zelfdiscipline ging ik langzaam maar zeker tot het selecte clubje van de ‘gelegenheidsrokers’ behoren. Zij die zich beter voelen dan gewone rokers, maar wel veel creativiteit aan de dag leggen in hun speurtocht naar nieuwe gelegenheden. De stap naar niet-roken kon ik pas zetten na een positieve zwangerschapstest. Na negen maanden babydragen meende ik mezelf echt en oprecht een niet-roker te kunnen noemen.
Je reinste zelfbedrog, want wie ‘Sin City’ aandachtig bekeken heeft, herinnert zich misschien de gevleugelde woorden van Benicio del Toro: “A smoker is a smoker when the chips are down.” Een beetje stress of een kleine tegenslag en je hangt al je goeie voornemens aan de wilgen en rent meteen naar de nachtwinkel voor een portie nicotine. Dus toen mijn stresslevels enkele weken geleden naar ongeziene hoogten stegen (om redenen waar ik jullie later nog mee zal vervelen) begon ik gelijk te kettingroken. De ene sigaret ‘aanpoepen’ met de vorige, zoals ze bij ons plachten te zeggen. Inmiddels is de stress weer gaan liggen, maar de sigaretten blijven. Ik sta dus terug waar ik acht jaar geleden stond. Op het dak, midden in de nacht. Gezellig is anders.
Manieren. Propere manieren, dat moet je hebben wanneer je groot en sterk wil worden in vrouwenland. Dat heb ik altijd geleerd. Van die andere vrouwen in mijn leven. Moeders en grootmoeders bijvoorbeeld. En schooljuffrouwen. Rugje recht, met mes en vork eten, je weet wel, van die dingen.
Intussen zijn we zoveel jaar later en zit, hang en flaneer ik op de redactie van een modeblad. Chic en waw, hip en cool en al. Elegant en zo. Mijn oma zou fier zijn als ze het zag. En toch ben ik blij dat ze mij niet ziet, zo vanuit de hemel of wherever.
Want ze zou me hier misschien wel zien zitten blinken, tussen Gucci’s, Margiela’s, MAC’s en Pucci’s , maar één blik op wat ik tijdens lunchpauzes en vieruurtjes uitspook, doet haar gegarandeerd krijsend haar nagels tegen de hemelmuren krassen.
Tupperwares, maar dan van het goedkopere soort. Daar doe ik in. Vol met sla – breed gesneden allicht, dat maakt het nog iets lomper – tomaat, iets tofu-achtigs en dikke brokken komkommer. Rauwe peulen, dat ook. En soms een haringetje in plaats van de tofu. Allemaal gezond en wel, maar niet echt een eet-eens-netjes-menu.
Vooral omdat ik - oma, shoot me! – iets heb tegen messen in slapotten. De tupperware op mijn linkerhand, het vork in mijn rechter, zo gaat dat dan. “Schransen”, noemt collega N. Het. Ze haalt ook graag het woord “Trog” boven.
Plus: dat hele eetgebeuren speelt zich af boven, rond en aan mijn computer. Waardoor mijn gestileerde Apple keyboard – Steve Jobs, sshoot me! – al de nodige tomaterie & co heeft moeten verteren. En hoe vaak er al een professioneel geïnteresseerde collega met een of andere gewichtige vraag aan mijn schransbureau gestaan heeft, en mij aantrof met een stuk Romeinse sla aan de lippen, een rondslingerend stuk rolmops of, godbetert, een toefje peterselie tussen mijn tanden.
En dan heb ik het nog niet over die tomaat die ik net suckend en puffend uit het vuistje naar binnen gewerkt heb of de pompelmoesvellen die de Huisman-van-het-Huis hier elke dag op de foute plaatsen aantreft.
Oma, sluit je ogen. Ik ben veertig, heb een jurk van Annemie Verbeke aan mijn lijf en eet als een varken.
Ik weet zo al wat ze zou zeggen: “En jij maar zuchten dat je geen man vindt!”
'Alle mannen zijn hetzelfde, en met hetzelfde bedoel ik ontrouw'. Net bedrogen vriendinnen zijn zelden genuanceerd, wat ik kan begrijpen. Per slot van rekening is het gemakkelijker het mannendom te veralgemenen tot een bende zwijnen dan te moeten toegeven dat je er misschien een verkeerd exemplaar hebt uitgekozen. Dat net bedrogen vriendinnen ook zelden nuchter zijn, bleek even later toen ze net niet op mijn nieuwe schoenen kotste.
De vriend in kwestie had het nochtans niet slecht bedoeld, lalt ze. Beneveld door te veel drank en een te grote decolleté had hij zich laten meeslepen naar het bed dat bij de borsten hoorde. Menselijk foutje. Niet dat hij met vier vrienden een loft huurde met de bedoeling vreemd te gaan, om maar iets te zeggen. En hij had het zelf opgebiecht, vol schaamte.
Wat ik haar niet durf vertellen, is dat ik het heb gezien. Hoe vriendje zich als een echte player in menig vrouwenhart en - bed weet te nestelen. Dat tientallen vrouwen iets anders bedoelen wanneer ze hem een 'hey, zo lang geleden' toewerpen. En dat ik het was die hem had gedwongen het deze keer gewoon te vertellen, in de hoop dat ze hem eindelijk zou dumpen. Tevergeefs.
Sommige mannen lijken maar niet te kunnen beslissen of ze dan wel vrijgezel, dan wel iemands lief willen zijn. En modderen bijgevolg maar wat aan in het spectrum daartussen; zich van geen kwaad bewust zolang het maar niet uitkomt. Ik kan ze niet meer op een hand tellen, de liefste vriendjes van vriendinnen met een paar scheve schaatsen in de kast. Of pikante sms-jes van lang vervlogen affaires die me onlangs nog verzekerden dat het zo goed ging met hun relatie. Ik houd mijn mond, omdat ik er nu eenmaal niet van hou als de boel in mijn omgeving ontploft. Maar stiekem hoop ik dat er in elke loft wel eens een lijk gevonden wordt.

Nieuw commentaar