Het moet zowat hét gespreksonderwerp van de afgelopen week geweest zijn: de jobkorting. Een financiële geste van de Vlaamse regering in moeilijke tijden, geschonken met de liberale hoop dat onze dankbaarheid tot juni reikt. Bij dit laatste heb ik zo mijn twijfels: financiële meevallers dienen in mijn ogen onmiddellijk uitgegeven te worden, en het instantgeluk van een nieuwe aankoop is -meestal- van korte duur.
Het duurt dan ook niet lang voor ik als Alice in Wonderland door de Schuttershofstraat huppel, hardop dromend van een duur stuk - zo eentje dat ik anders zou laten hangen voor een confectie-alternatief dat meer op mijn budget gesneden is. Maar mijn enthousiame maakt een kamikazebeweging wanneer ik een eerste potentiële aankoop in de spiegel zie - het jurkje in kwestie treft hierbij geen schuld, mijn spiegelbeeld des te meer: haar dat eruitziet als uitgedund stro, een gezicht dat van een puisterige puber zou kunnen zijn en een lichaam dat schreeuwt om een fitnessabonnement en een kuurtje zonnebank.
Terwijl mijn rationele kant al druk maatregelen neemt (max 1000 kcal per dag, liters water, scrubben, rondjes joggen in het park...), wandelt mijn emotionele zelf onbewust een andere winkel binnen, vol beautyspullen. Toeval bestaat niet, dus ik stort mijn waterval aan frustraties uit tegen een verkoopster. Die erg begrijpend is en voor elk probleem een gepast flesje voorstelt: constructief denken, noem ik dat. Wanneer ik met een mandje vol oplossingen aan de kassa kom, blijkt dat zoveel constructiviteit duur betaald wordt - een jobkorting is er niets bij.
Maar het moet gezegd, wanneer ik 's avonds na een intensieve middag vol maskers en moisturizers de deur uitga, waaien de complimenten mijn richting uit ('wat zie je er goed uit, je straaaaaalt gewoon'). Dat ik er naarmate de avond vordert iets minder stralend ga uitzien, mag de pret niet drukken: morgen zijn er weer flesjes die daar iets aan verhelpen. Gelukkig maar dat zo'n dure producten lang meegaan - met een beetje geluk halen ze zelfs 7 juni.
Het was zo’n zondagavond uit een dozijn. Striemende regen, geen bal op de tv, duffe kop van het binnenzitten… De ideale omstandigheden voor een overdosis zelfbeklag. Net als ik aan de vraag ‘waarom is mijn leven so boooring’ kom, gaat mijn gsm. Onbekend nummer. Interesse gewekt. ‘Hallo, met Joost van reclamebureau X. Je kent me waarschijnlijk niet, maar ik heb je nummer via via gekregen. ’t Zit namelijk zo: voor een campagne voor zonnebrillen zijn we op zoek naar leuke vlotte mensen voor een roadtrip naar de Côte d'Azur. Vertrek over twee weken…” Wow! Kort samengevat: fotoshoot on the go, drie dagen Saint-Tropez voor twee (in het gezelschap van nog drie andere koppels), chique villa met alles erop en eraan, eten en drinken à volonté én on top of that zat er ook nog een vergoeding in ‘voor onze moeite’. Enfin, ik weet niet wie hierboven weekenddienst had, maar mijn gebeden zijn nooit eerder zo snel verhoord. Ik zie het plaatje helemaal voor me: BB-gewijs aan het zwembad, lonkend vanachter een zonnebril... Zucht. Ik kreeg nog twee dagen bedenktijd (what for?), ten laatste dinsdag moest Joost het weten. Mijn vriend zag het direct helemaal zitten - op een klein detail na - dat gefotografeer…Moet dat echt?
Nu ja, hindernissen zijn er om overwonnen te worden en mannen om bewerkt te worden. Met succes, overigens. Tegen maandagavond stonden zijn koffers zo goed als klaar. Nu nog dat telefooontje naar Joost en weg zijn wij... Het enthousiasme in zijn stem verdwijnt meteen als ik mijn naam noem. Net als zijn vlotte babbel van zondagavond. 'Er is een probleempje. Wegens de crisis heeft de klant gekozen voor een iets soberdere campagne..." De rest hoor ik al niet meer. Life's shit. For sure.
Ik heb een geheim. Een zwakte die ik alleen opbiecht wanneer de praktische omstandigheden me ertoe verplichten. En nee, dan heb ik het niet over mijn soms schaamtelijke alcoholgebruik (daarvan is ondertussen iedereen op de hoogte), maar over een gênante kwestie die met de jaren alleen vervelender wordt: ik kan niet autorijden.
Niet dat ik het nooit geprobeerd heb: vijf jaar geleden reed ik met enig misplaatst zelfvertrouwen voor het eerst de snelweg op. Resultaat: de auto van mijn moeder bijna verkreukeld en ik langs de pechstrook, huilend als een kind op een enge kermisattractie: 'ik wil hierui-uit!!!!'. De rest van mijn studententijd bleef ik veilig aan de toog zitten, verkondigend dat mensen evolutionair gezien ongeschikt zijn om tegen 120 over de snelweg te racen. Ik vermoed dat in die tijd ook mijn onvoorwaardelijke liefde voor gin-tonics ontstaan is.
Ook toen ik later freelance aan de slag ging, was er geen probleem - ik werkte lekker thuis en om de gang over te steken had ik hoegenaamd geen auto nodig. Maar dan vind je, zoals men dat noemt, de job van je leven, die heel wat verder van je bed blijkt te liggen dan de woonkamer - een kilometer of zeventig, om precies te zijn. En tenzij je graag tijd spendeert met het wachten op vertraagde treinen, gemiste aansluitingen en kapotte bussen, lijkt een auto plots niet meer zo'n overbodige luxe.
Dus ben ik er opnieuw aan begonnen, met de moed der wanhoop. En na een klein maandloon gespendeerd te hebben aan rijlessen, kan ik nog steeds niet invoegen, durf ik nog altijd de snelweg niet op en begrijp ik niets van de Top Gear-achtige termen waarmee mijn vrienden me adviseren. Maar met een dapper 'yes we can'-gehalte zet ik door, in de hoop binnen een half jaar de begeerde woorden 'ik ben met de auto' te kunnen uitspreken. En tot die tijd bestel ik met veel plezier een gin-tonic te veel. Nu het nog mag.
'Ik heb botten besteld. Wil je ze zien'? Collega M. loodst me naar Yoox, een drukbezochte site op de redactie en meermaals de oorzaak van dromerige blikken achter het scherm. De laarzen blijken prachtig: zwarte Margiela's, met een fluogele top. Klassiek en extravagant. Less én more. Een welgemeende 'wauw' van mijn kant is dan ook meer dan gepast.
'Ik ben niet zeker van de maat', zegt ze. Een kleine reality check, want zelfs de allermooiste droomschoenen zijn een nachtmerrie als ze knellen, en het bedrag dat je neertelt voor zo'n paar Margiela's, wel, laat ons zeggen dat je er lekker voor kan gaan eten. Een keer of tien, that is. 'Maar ik kan ze terugsturen, hoor', sust ze snel, ik denk meer om zichzelf dan mij gerust te stellen.
'Ze hebben ze ook in het roze - kijk'. En op het scherm verschijnen dezelfde Margiela's met de top in het fluoroze - ik moet even slikken als bedenk hoe mooi ik ermee zou staan. Hoe ze al mijn zwarte jurkjes minder saai zouden maken en hoeveel keer ik te horen zou krijgen: 'wat een geweldige laarzen heb je aan!'. Ik begin al te blozen bij de gedachte, vooral als ik zie dat er nog maar één paar online staat. En dat ene paar is, jawel, mijn maat.
Een week heb ik ervan gedroomd, 's nachts badend in het zweet bij de gedachte dat iemand anders ze gekocht had. En na een week heb ik beslist; ik kan ze niet betalen. Dus heb ik ze besteld. En ik neem gemakkelijkheidshalve aan dat ik vergeven zal worden voor alle achterstallige rekeningen eenmaal ik op mijn zwart met roze laarzen door het leven wandel.
Drie weken lang heb ik ze aangeklikt. Gestreeld met mijn muis. Gewikt en gewogen. Bewonderd en getwijfeld. En nu is het zo ver. Ik heb een bestelling bij yoox.com geplaatst. Mijn zwarte Margielalaarzen, met fluogele neus zijn, terwijl ik dit stukje aan het tikken ben - o wondere wereld van het web, klaar voor shipping. In gedachten zie ik ze in hun bruine doos (ik kon ook een witte kiezen) waden over het water, maar shipping betekent gewoon: verzenden. Binnen de drie à zes werkdagen zijn ze de mijne. Ik volg hun traject via my yoox. En passen ze niet, dan zend ik ze terug. Met UPS. Worden mijn dure euro’s teruggestort. Hoe dan precies in de haak zit, moet ik nog uitvissen in de kleine lettertjes ergens onderaan de site. Want al waren het ‘sales’, de laarzen kostten een arm en een been. Scheelt alweer – met dat been minder – een slok op de borrel! Kan ik een nieuwe bestelling op yoox.com plaatsen. Die zwarte pumps leken me ook wel wat, eigenlijk.
De avond begon al meteen goed, toen ik, bij het buitenrijden van de auto eerst net niet de poort raakte, om daarna langs de andere kant langs de struikjes te scheren (en ze toch vooral een beetje te raken). Goed begin van een date, vooral als de date in kwestie op de achterbank zit (“schatteke? Je zat net in de struiken….”) vergezeld van twee extra vrienden, die zich stilaan zorgen beginnen te maken over de bob van de avond (ik dus). Normaal vlam ik in zo’n twee seconden gezwind de oprit af. But then again, normaal gezien ben ik ook niet zo zenuwachtig (date! Achterbank!) én normaal gezien heb ik, net om die zenuwen te bedwingen, nog geen vier glazen cava achterover gekapt. Echt bob was ik dus al niet meer, en de vooroordelen over vrouwen en auto’s had ik ook in één niet zo vloeiende beweging bevestigd. Nice impression, Fleur. En de avond moest nog maar beginnen….
Nochtans was het niet de eerste keer dat ik hem zag (de niet-niet-aan soms wel vriend, weet je wel?), behoorlijk belachelijk dus dat ik zo’n tien minuten voor hij zou aanbellen plots extreem zenuwachtig werd. Niet ooh-leuk-ik-zie-hem-terug-zenuwachtig, maar waar-ben-ik-hoe-heet-ik-zenuwachtig, waardoor ik lichtjes begon te trillen. Die cava zal hierbij waarschijnlijk niet geholpen hebben, maar laat ons het vooral niet op de alcohol steken. Ik kan gewoon niet goed om met situaties die draaien rond mannen die ik leuk vind, ik ga me gedragen als een kip zonder kop. Een kip die op de koop toe nog gemeen is ook.
Want buiten het in de struiken rijden, heb ik hem ook nog afgeblaft toen hij zei dat hij niet kon blijven slapen (terwijl hij wel gebleven is tot het ochtendgloren. Blijkbaar bedoelde hij ‘slapen’ letterlijk.), rolde ik zowat om de tien minuten met mijn ogen om toch vooral te laten zien dat hij heus niet zo interessant was (wat hij wel is!) en ben ik drie keer in slaap gevallen op de terugweg (toen ik géén bob meer was, laat dat duidelijk zijn). Dat de nacht überhaupt nog tot een goed einde is gekomen, ligt waarschijnlijk vooral aan het feit dat hij nìet de nood voelt om zich voor te doen als een stoere macho, en me op een nogal tot de verbeelding sprekende manier in slaap heeft ‘gewiegd’.
Mijn tactiek kan ik niemand aanbevelen. De zijne daarentegen…
Op je twaalfde is het ‘aan’ als je elkaars hand vasthoudt tijdens de speeltijd, op je zestiende is het aan vanaf de eerste kus. Maar hoe weet je op je vijfentwintigste wanneer het ‘aan’ is? En waarom lijkt iedereen, behalve ikzelf, te wachten op het moment dat ‘hij’ en ik eindelijk hebben besloten dat het ‘aan’ is? Want als het leuk is met z’n tweetjes, hoef je daar toch niet meteen definities en labels tegenaan te gooien? Of wel?
Mijn beste vriendinnetje snapt niet dat we het niet gewoon ‘aanmaken’, ook al heb ik haar al tien keer verteld dat we het rustig aan willen doen. Wij allebei, niet alleen ik en mijn bindingsangst. ‘Maar wat zijn jullie dan?’ vraagt dat vriendinnetje, die het wel ‘aan’ heeft met haar ‘vriendje’. Dat ik dat niet weet, vindt ze maar een beetje raar. “Zolang hij en ik maar tevreden zijn met wat we wel en niet zijn. Sommige mensen hebben geen definities nodig,” stel ik stoer. Al blijkt de volgende avond, na een date met ‘hem’ die officieel weer geen date was, dat ik toch zo zachtjesaan een definitie zal moeten bedenken. ‘Wat ben ik dan wel?’ vraagt hij nadat ik ‘omdat je geen vriend bent’ als antwoord eruit flapte op de vraag waarom ik hem niet zomaar af en toe belde om iets leuks te doen. Terwijl hij me indringend blijft aankijken, zegt hij dat ik dan maar eens moet nadenken over wat hij dan eigenlijk is. Wat ik beloof te doen.
Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik weet hoe je iemand moet noemen die niet je lief is, ook niet je vriend, maar die je wel kriebels bezorgt als hij je hand vasthoudt, in wiens ogen je net niet verdrinkt en wie je telkens opnieuw niet durft te kussen, gewoon omdat je toch heel erg graag wilt. Maar met wie je dan toch weer zonder problemen minutenlang in een stevige liplock zit, eens het er toch van komt. Gewone vrienden zijn we nooit geweest, de eerste avond plakten we al tegen elkaar, hoewel ik hem wel graag genoeg heb om bevriend met hem te kunnen zijn. En ‘aan’ is het ook niet als je allebei besluit dat je je niet zonder nadenken in een relatie wil smijten. Maar ‘niet-aan’ zou ik het nu ook niet noemen, want daarvoor denk ik net iets te veel aan hem. En hoewel ik het niet wil, begint er toch een klein barstje te komen in het meterdikke beschermingsmuurtje rond mijn hart.
Dus. Hoe noem je iemand met wie het niet ‘aan’ maar ook niet ‘niet-aan’ is, die je vriend is, maar eigenlijk toch ook niet. Als ik nu eens zou weten hoe hij mij zou noemen…
Die sneeuw. Laat ons het daar eens over hebben. Een probleem met grote p, als je het mij vraagt. Mooi en al, daar niet van. Maar nefast voor de kleedpret, en de modefun.
Een kast vol leuke kleuren en koddige kleren maar niks dat eruitziet alsof ik er de dag mee door kom. Wegens niet bestand tegen sneeuw, zout en kou. Salut dus frullenspullen en en rokgenot, hello vormeloze trui, stevige laarzen en o jee geitenwollen sokken. Schoenen met een hak, vergeet het. Regelrechte zelfmoord, toch op mijn oprijlaan. Slippery as hell. De hele buurt heb ik wakker gegild, een paar dagen geleden. Mijn nieuwe Margiela laarsjes? Een rubberen zool, moet kunnen, denk ik dan. Maar ai, dat zout. Nope, witte zoutvlekken op het lakleer, de grootste nachtmerrie dus. No can do. O god, wat een stress.
Ik ben duidelijk niet de enige die zo’n inwendige discussies houdt voor de ochtendse kleerkast, dezer dagen. Want, ach, eerlijk. Zucht. Kijken naar dresscodes bij dit soort weer , daar word ik echt niet vrolijk van. Mensen lijken alleen maar beige en bruin uit de kast te halen. Kleuren die tegen een vlekje kunnen, hoor ik ze denken. Van die laarsjes met crèpe zolen. Truien met opgebolde wolletjes, jaren geleden gekocht en warme winters lang in de kast laten rotten.
En het ergste van al: de fleeces komen weer boven. Als er één stuk klerezooi is waarvan ze de uitvinder ter plekke mogen doodkietelen en tegelijk met elektrisch geladen textiel over zijn hoofd mogen wrijven, dan is het de man of vrouw die de fleece op de wereld gezet heeft.
Ach, waar maak ik me druk over. Mijn bergbottines hebben wel iets nouveau grunge. En die snowwashed Dieseljeans doet het goed bij witte vlokken. Maar lang moet het niet duren, de frulletjeszin houd ik echt geen week meer onder controle.
'Ben je verliefd op hem?' Ik sta buiten het restaurant een sigaret te roken met vriendin D., die me net haar nieuwe vriend heeft voorgesteld. 'Tuurlijk, waarom zou ik anders iets met hem begonnen zijn?' Omdat het lang geleden is dat je er nog eentje gestrikt hebt, denk ik. Omdat het koud is in de winter. Maar ik zwijg. Nieuwe lieven van vriendinnen, daarover zeg je liefst zo weinig mogelijk.
Wat ik van hem vind, wil ze nog snel weten, voor mijn sigaret op is. In mijn hoofd gaat een alarmlampje branden. 'Moeilijk te zeggen, ik ken hem nog maar net'. Soms specialiseer ik in standaardantwoorden. 'Maar wat is je eerste indruk?', dringt ze aan. 'Goh, hij lijkt me leuk. Een beetje stil misschien'. Sigaret op. Snel naar binnen voor ik kan zeggen wat ik denk. Dat ik hem het meest saaie wezen vind dat ik de afgelopen jaren heb ontmoet.
Even later informeer ik of de mannelijke vrienden mijn mening delen. 'Jij met je vooroordelen altijd', klinkt het collectief. Dat ik het haar niet gun, en dat ik waarschijnlijk gewoon jaloers ben. In een poging mijn hachje te redden, ga ik richting bar -'bier, iemand?'. Wat de sukkels niet beseffen, is dat ik het ben die binnenkort, in naam van de vriendschap, met D. en saaie piet naar optredens, brunches en erger zal moeten. Terwijl zij zich verder een bierbuik kunnen kweken en hem hoogstens in hun voetbalploeg moeten dulden.
Want wat mannen niet schijnen te zien, is dat dit geen grote liefde is, maar valse. Niet meer dan een wanhoopsdaad om niet voor de derde keer op rij alleen naar kerstdiners en familiefeesten te hoeven. Heerlijk moet het haar lijken, om in de 'wij'-vorm te kunnen spreken tegen tantes en grootnonkels, die opgelucht zullen ademhalen om dat ze 'dan toch van 't straat geraakt is'. Maar dat deze relatie de lente niet haalt, daar verwed ik mijn pinkje om. En de ruzies en spijt die daarmee gepaard zullen gaan, gun ik haar eveneens van harte. Zonder een streepje jaloezie.
‘Ik ben nogal een hartenbreker’, grijnsde hij, ‘maar jij moet je nog geen zorgen maken,’ fluisterde hij snel, met heel wat geknipoog en gewrijf over mijn been, ‘jouw hart ga ik nog niet breken.’ Oh jeetje, dacht ik, een stevige paniekaanval negerend, wat een SLIJMBAL. Ik wilde eigenlijk heel hard weglopen, maar heb gelukkig nog een beetje fatsoen, dus bleef rustig zitten, glimlachte terug en zei: ‘okee.’ Zo ben ik dan.
‘Allee, dat is toch lief’, vond mijn vriendin toen ik haar vertelde over de date in kwestie. Tot ik haar vertelde dat hij zo’n half uurtje later, in bed, mij ‘een lekker dier’ had genoemd, en mij vervolgens zo lang was blijven bepotelen (nadat ik al twee keer duidelijk had gesteld dat ik wou gaan slapen) dat ik van ellende gewoon op de bank ben gaan verderslapen. ‘Een lekker dier’ vond ze er toch ook over gaan, en het feit dat ik me zo aan hem ergerde was waarschijnlijk een teken dat ik hem niet leuk genoeg vond om er echt iets mee te beginnen. Dat dacht ik ook, en we besloten dan maar dat het mansvolk gewoon een beetje gek en irritant was, en dat je nu eenmaal lang moet wachten op dat prinsgeval met zijn paard, als ie ooit de weg al vindt.
‘Wat is dat toch met die mannen?’ vroegen we ons af, nadat ik een kleine week na de date in kwestie alsnog zijn hart gebroken heb (zo ben ik dan ook wel). Ze zijn of te aanhankelijk, of te onafhankelijk. Ze maken extreem flauwe mopjes, op verkeerde momenten, waardoor ik – dankzij mijn bindingsangst – meestal al op de vlucht sla na een uur of twee. Ik word nogal snel afgeschrikt. Zo zorg ik er altijd voor dat ik, als ik iemand nieuw leer kennen, tenminste de eerste twee maanden niet samen met de nieuwe potentiële lover moet dineren. Niet alleen krijg ik meteen buikpijn in dergelijke situaties, ik ben in staat de romance meteen te beëindigen omwille van de keuze van een gerecht.
Mijn situatie overdenkend – je hebt soms van die zelfinzichtzondagen – bedacht ik me dat het misschien niet aan de mannen lag. Maar aan mezelf. Stel je voor! Er valt wel wat voor te zeggen, aangezien ik altijd degene ben die het op de een of andere manier uitmaakt. Ofwel door heel hard weg te spurten voor de meest banale redenen, ofwel door het zo te verpesten dat hij vanzelf wel gaat lopen. Het ligt misschien aan mijn mannen-antenne, die opnieuw afgesteld dient te worden, of aan het feit dat ik niet zo emotioneel stabiel ben, en op momenten van verdriet extreem veel nood heb aan affectie, terwijl ik op de goede momenten niet wil weten van al dat gedoe.Ik stuur verkeerde signalen uit, ik ben lief tegen mannen waarvan ik al op voorhand weet dat ik er toch niks mee wil, en (erg onhandig) ik negeer de mannen die ik echt leuk vind, waarna ik verbolgen achterblijf en me afvraag waarom ze geen interesse toonden. Niet moeilijk dat mijn mannen altijd een beetje vreemd zijn, wie zou nu niet gek worden van iemand als ik?
Tijd om er wat aan te doen dus. Wat, dat weet ik nog niet precies. Al zou het al helpen mocht ik de juiste personen niet meer negeren, en de foute exemplaren geen aandacht schenken. Benieuwd hoe dat loopt…

Nieuw commentaar