Zolang die aardige weerman het niet officieel meedeelt, blijf ik de komst van de herfst hardnekkig ontkennen. Langzaam verkleurende bladeren, stiekem korter wordende dagen en langer wordende rokjes, hier en daar een jasje op het terras-ik spotte dit weeked zelfs al bontjasjes op straat!!... ik deed maar al te graag alsof ik het niet zag. Zoals een vrouw die heel hard blijft geloven dat haar allerliefste écht wel overwerkt, ook al komt hij geurend naar overspel thuis, wil ik geloven dat de zomer me trouw blijft.
Tenminste tot zijn officiële einde op 21 september, lijkt me een eerlijke deal, niet?
Augustus was hart -en huidverwarmend en hielp me zelfs vergeten dat mijn roze koffertje de hele zomer ongebruikt bovenop de kast bleef liggen. De laatste dag van augustus gloeide nog na in mijn herinnering toen ik, een beetje verfrommeld door de nacht, de gordijnen opende en met wanhopig gejammer vaststelde dat mijn geliefde zomer werd weggespoeld door een eerste hardnekkige najaarsbui. ‘Nieuw schooljaar, nieuw seizoen’, moeten die cynische weergoden gedacht hebben.
Wat is het toch met de zomer, dat het afscheid telkens zo moeilijk maakt?
Als je het mij vraagt is het antwoord eenvoudig: het is de zon, het bronzen kleurtje, de frivole bikini’s, de blote voeten in het gras of in het zand, het zoute water op je huid, de festivals, de terrasjes, de parapluutjes die enkel hun nut bewijzen in je cocktail, de barbeques, de geur van zonnecrème, fluitende vogels, de bloeiende bloemen, de vakantieliefdes, de vlinders die als rozenblaadjes op je pad landen, en zo kan ik nog wel even doorgaan.
‘Ach, wees toch eens niet zo dramatisch’, zei een vriendin toen ik ook haar op de hoogte bracht van mijn gebroken zomerhart. ‘Je krabt nog steeds aan die jeukende muggenbeten, je iPod overleefde een dagje zee niet, je was na slapeloze nachten door de hitte echt niet om aan te spreken en mag ik je erop wijzen dat je meer bikini-stress had dan zenuwen voor welk examen dan ook?’ Stuk voor stuk voldongen feiten waar ik moeilijk iets tegenin kon brengen. Dan maar nonchalant van onderwerp veranderen door heel druk door het heerlijk dikke modenummer te bladeren. Om de intrede van de herfst kon ik niet meer heen. Snel raakte ik afgeleid door leuke regenjasjes, wollige sjaals, schattige mutsen, stoere laarzen en must-have outfits die stuk voor stuk geen zomerse temperaturen tolleren. Misschien, heel misschien, zou een kleine tot middelgrote shoppingspree de pijn kunnen helpen verzachten. Want met de juiste nieuwe kleerkastbewonders ben ik wel bereid mijn best te doen om er een Fab Fall van te maken. Maar tot die tijd, zomer en zinder ik dolgraag nog even na!
Het is voorbij: de liefde tussen mijn favoriete jeans en mezelf. Al moet ik dat even nuanceren, de stopzetting kwam niet van mijn kant, het was eerder mijn onderkant die besloot er een einde aan te maken. Of om het met de woorden van Halle Berry te zeggen: “I had a little too much junk in the trunk”. Zowel het afscheid als de confrontatie met de spiegel waren pijnlijk en zo belandde mijn geliefde broek ergens onderaan in mijn kast. Toch nam ik mezelf plechtig voor dat onze relatie weldra een tweede kans zou krijgen, we pasten immers zo goed bij elkaar (en bij een groot deel van mijn garderobe). Weken gingen voorbij en als we elkaar tijdens een strooptocht door mijn kast tegenkwamen sloeg mijn hart telkens even over. Af en toe durfde ik de confrontatie aan maar de pasbeurten eindigden altijd met niet zo’n lady-like gevloek en ook mijn onmiddellijke omgeving moest het ontgelden. De relatie verzuurde helemaal en de jeans werd verbannen naar de donkerste regionen van mijn kast, ergens ten zuiden van wintertruien (waar ik nu absoluut nog niets mee te maken wil hebben.) en Oilily-jurken waar ik maar geen afstand van kan doen.
De confrontatie met dé broek uit te weg gaan is één zaak, de buitenwereld trotseren is onvermijdelijk. Ik was dus ook even uit mijn lood geslagen toen ik onlangs op een overvol terras waar echt ie-de-reen (zonder overdrijven) aan het meeluisteren was te horen kreeg: ‘ben jij niet verdikt, dat is niet zo goed hé!’ Mijn ogen schoten vuur en daarna vol tranen, mijn glimlach ging van stralend naar hulpeloos. In mijn verbeelding vloog ik hem naar de keel om zijn strot dicht te knijpen en zijn haren uit zijn kop te rukken. Al bleek dat laatste onmogelijk, vroegtijdige kaalheid bleek de spelbreker. Met een onnozele glimlach op zijn dronken gezicht bleef hij me uitdagend aankijken. Het was bijzonder verleidelijk om kwaad met kwaad te bestrijden maar ik opteerde toch om de ‘bigger person’ (letterlijk) te zijn en hem ostentatief de (spek)rug toe te keren. Er waren een paar wijntjes nodig (vloeibare caloriebommen, maar tellen was het laatst van mijn zorgen) om die smerige opmerking door te spoelen. Een paar extra kilo’s wegen blijkbaar zwaarder door op mijn gemoed dan op de weegschaal.
En zo belandde ik op die vroege zondagochtend op de loopband, zijn woorden als motivatie nog nagalmend in mijn hoofd. Later die middag kon ik de lokroep van op de bodem van de kast niet weerstaan en probeerde ik me tevergeefs in de jeans te wringen, wederom zonder resultaat. Maar toen ik een glimp van mezelf in de spiegel opving, viel het me op dat het model van de broek toch wel een beetje verouderd was en ook de washing was niet helemaal up-to-date. Zo kwam ik tot het inzicht dat je net als meerdere mannen in je leven, ook meerdere jeans'en kan liefhebben. En met het wisselen van de seizoenen, wissel ik ook maar beter eens van favoriete jeans. Ultra wijd, flared, bootcut, de boyfriend of skinny! Na een periode van intensief sporten komt het wel goed met die kilo’s. En wat die gemene jongen betreft, hij kan nog zoveel sporten als hij wil, een slecht karakter (en die kale kop!) krijg je er niet mee weg.
'Geef jij dat uit aan je hàààr', roept vriendin C. uit als ze toevallig de rekening van mijn voorraad shampoo aantreft. Zij en ik hebben een andere visie op persoonlijke hygiëne, zoveel is duidelijk. 'Je bent gek', wrijft ze het er in. 'voor dat geld kan ik twee weken naar de supermarkt'. Vol schaamte mompel ik iets over 'een investering' en verzwijg gemakkelijkheidshalve dat ik ook net een nieuwe jeans heb gekocht.
C. heeft natuurlijk makkelijk praten: ze is gezegend met dikke blonde lokken die haar gezicht altijd perfect omlijsten, zelfs als ze net in de zee heeft gezwommen. (Echt waar! Ik heb het gezien). Ik moet het doen met een derde van haar volume een een coupe waar zelfs mijn stijltang een depressie van krijgt, dus vind ik het verantwoord dat ik nu en dan flesjes koop die beloven daar iets aan te verhelpen. Dat ik dan soms op het einde van maand nog wel heel weinig geld over heb voor het eten, probeer ik onder de noemer 'dieet' te categoriseren.
'Wat zit je haar leuk', complimenteert vriend W. me die avond. (Zie je wel! Zie je wel!). Waarop hij vraagt of ik hem een biertje kan betalen, aangezien hij wat krap zit. Vriend W. heeft net een eigen huis gekocht, met tuin. Dat betaalt hij door te besparen op de kleine dingen in het leven, zoals een auto, en kappersbeurt en een occasioneel drankje. Voor mijn spilzucht heeft hij enkel misprijzen, en af en toe staart hij naar mijn handen alsof er een gat in te ontdekken valt.
Investeren in immobiliën is ongetwijfeld verstandiger dan in de textielsector, dat begrijp ik. Maar jezelf pret in het leven ontzeggen voor een eigen stulpje, dat gaat me toch een stap te ver. Dus weiger ik vooralsnog huiselijk te worden en blijf ik genieten van mijn nét iets te dure jeans en dito kapsel. Heupwiegend, dat spreekt, want zo'n huis koop je per slot van rekening niet alleen. En met azijn is voor zover ik weet nog nooit een vlieg gevangen.
Rebound I ww 1. terugspringen, stuiteren; 2. (fig) terugwerken neerkomen; II zn 1. terugstoot, -sprong, -stuit; 2. (fam) reactie na (terugslag van) teleurstelling.
"Hier komt nummer drie op de rebound!". Vriend K. was behoorlijk enthousiast toen ik hem enkele weken geleden tegenkwam in een discotheek, waar overmoed in aantal glazen uitgedrukt wordt. Of hij nu de jongeman aan mijn arm bedoelde dan wel de jongedame waar hij zijn tong in draaide, was onduidelijk. Maar het principe bleef hetzelfde: hij en zij waren niet naar wie we werkelijk op zoek waren. Een beetje onrespectvol noemden we hen dus 'rebounders'.
Een rebound is een reactie na een teleurstelling, zo leert het woordenboek ons. Eentje op liefdesvlak, zo vullen we zelf aan - je kan van een woordenboek niet alles verwachten. To rebound betekent ook 'stuiteren', de interpretatie daarvan in amoureuze context laat ik in het midden. Zeker is dat beide betekenissen een lapmiddel zijn voor gedeukte ego's en gebroken harten.
Zo gebeurt het dat mensen een week na het einde van hun relatie plots de nieuwe liefde van hun leven tegenkomen. Iemand die de plek van de vorige in hun bed en leven kan innemen en die hopelijk qua meubels een beetje compatibel is. Zo gebeurt het ook dat wie afgewezen is, een makkelijker slachtoffer is voor stuiterende one night stands die instant zelfbevestiging lijken te beloven.
'Het leek zo'n goede oplossing', huilt vriend K. twee weken later, toen rebound girl nummer drie niet bereid was de plaats in zijn leven en bed in te nemen. De oplossing van zijn wanhoop werd gezocht op de bodem van het glas, terwijl hij stiekem uit zijn ooghoeken keek of er niemand was die als terugvalmeisje nummer vier kon fungeren - een wazige geest is nu eenmaal minder kritisch. Nu maar hopen dat haar meubels compatibel zijn.
'Kan je even langskomen? Ik zit op een terrasje met X. en het is net gedaan met haar lief'. Als dit soort boodschap je voicemail meerdere keren per week vult en je de X. kan vervangen door je hele vriendinnenkring, dan weet je: het is zover. Het is Die Tijd van het Jaar, waarin alle koppels uit elkaar gaan en de miserie die rondraast, doet orkaan Katrina verbleken tot een windzuchtje. En de eeuwige single in mezelf wordt plots gepromoveerd tot de Florence Nightingale van de gebroken harten, rondrennend met feel good movies en gin voor wie het nodig heeft.
Niet dat ik dat onaangenaam vind, integendeel. Gesplitte koppels betekenen zoveel als: minder mensen die willen cocoonen voor televisie, wat mijn uitgaansleven ten goed komt. Terrasjes met net-single vriendinnen, zware doorzakavonden met vrienden die denken dat ze al klaar zijn voor de jacht en enig leedvermaak wanneer blijkt dat beide categorieën na zoveel overmoed over schoenen en woorden beginnen te struikelen. Dat ik er zelf hoofdpijn en een levercrisis aan overhoud, maakt me niet zoveel uit - in naam van de vriendschap dienen nu eenmaal offers gebracht te worden.
Maar dan zijn er de nadelen. Want net single vrienden willen soms wel erg veel kwijt over de voorbije relatie, en ik hoef niet altijd te weten waar het precies misging. Zelfs niet, vooral niet eigenlijk, als dat in bed was. Ander nadeel: als je vriendinnen terug single zijn, stijgt de concurrentie op de single markt, temeer daar ik mijn vriendinnen meestal kies onder de interessantere vrouwenexemplaren. En tenslotte kreunt mijn bankrekening onder de terrasjes, feestjes en emoshopmomenten - of hoe de ene structurele crisis de andere misschien kan oplossen.
Dus, liefste vrienden: ga allemaal terug daten. Zoek iemand om zomer of bed mee te delen zodat ik een beetje geld en slaap kan sparen. Oh, en als je tijdens dat zoeken een mooi intelligent exemplaar met gevoel voor humor tegenkomt: geef hem met een gerust geweten mijn telefoonnummer.
“Jaa, laat je haar misschien maar best terug groeien. Want oudere vrouwen met kort haar, dat vind ik echt niet mooi. Oudere vrouwen met lang haar, die zijn knapper.” Met stip op één: de meest onnozele reactie op mijn mededeling “Ik denk eraan om misschien mijn haar terug te laten groeien. Om weer een staartje te kunnen maken.” Vijfentwintig jaar oud. En dat krijg ik als antwoord.
“Jongens hebben een beetje schrik van meisjes met kort haar”, vertrouwde vriendinnetje K. me een jaar geleden toe. “Meisjes met kort haar zijn over het algemeen zelfverzekerder, want je moet al lef hebben om je lange haren af te knippen. En jongens worden bang van zelfverzekerde meisjes.” Gelukkig heb ik geen nood aan jongens die bang worden van zelfverzekerde meisjes, en gelukkig wil ik ook niks te maken hebben met jongens die meisjes met een kort kopje al meteen afschrijven. En gelukkig heb ik heel wat vrienden die op tijd en stond een stomme opmerking maakten over mijn nieuw kapsel, zodat ik al snel weer doorhad hoe oppervlakkig en conservatief het merendeel van het mannenvolkje wel niet is.
“Nee, nee, laat je haar maar weer groeien”, vond T., “Met je staartje was je zoveel schattiger (pardon?!).” Om er dan maar meteen een deadline tegenaan te plakken. “Laat ons zeggen dat je weer lang haar hebt vooraleer het nieuwe jaar begint. Anders…” Anders niks blijkt nu, want het nieuwe jaar is al lang begonnen, mijn haren zijn nog altijd kort, en er zijn helemaal geen straffen uitgedeeld door T., die een half jaar geleden nog fanatiek naar een foto van mezelf met een staartje stond te wijzen. Misschien ook omdat T. en ik helemaal niet meer zo goed bevriend zijn, al weet ik niet goed of mijn kapsel daar wat mee te maken heeft. Al blijkt het wel handig, zo’n korte coupe als afweermechanisme voor slome kerels met prehistorische ideeën over de vrouw (denk lange wapperende bruine haren, type onschuldige girl next door).
Gelukkig zijn er heel wat mannen die het wel kunnen appreciëren. “Normaal vind ik kort haar echt maar niks, maar bij jou vind ik het sexy”, een stelling die S. beargumenteerde door me meteen stevig te kussen. Wat hij onder het motto ‘het hangt niet in je gezicht, maar is nog net lang genoeg om aan te trekken’ nog een tijdje is blijven doen. K. was er ook wel voor te vinden, al maakte hij het op een wat vreemdere manier duidelijk: “Jouw haar is kort”, deelde hij me mee nadat we elkaar zo’n half uur kenden. Waarop ik heb toesnauwde ‘jaa, en als je er ook een probleem mee hebt, dan kijk je maar de andere kant op!’ (baaldagen, iedereen heeft er af en toe wel eentje). Gelukkig redde hij de situatie door een beetje onzeker “Ik vind het eigenlijk wel sexy” te fluisteren en me indringend aan te kijken. En hij begon me ook meteen stevig te kussen.
Conclusie? Mannen die korte haren sexy vinden, zijn passionele kussers. Mannen die zeuren over korte haren, zijn nog niet in de buurt van een kusje geraakt. En het allerbelangrijkste: ik ben heel blij met mijn kapsel. Ik denk dus niet dat er gauw een paardestaartje aan zit te komen.
'Als je echt iets met hem wil, had je er beter aan gedaan hem even uit je bed te houden'. Dat vriendinnen niet altijd een zege zijn, bewijst L., die denkt mij te kunnen troosten met advies na de zonde. Het resultaat is een flashback naar het midden van de jaren '90, toen een boek genaamd The Rules ons ervan moest overtuigen dat we een man nooit mochten bellen, laat staan met hem vrijen op de eerste nacht.
Dat ik niet geloof in dat soort onzin, is mijn antwoord. Dat zulke verhaaltjes verzonnen zijn door vrouwen die niet weten hoe leuk het is om samen dronken te worden in een bruine kroeg en al dansend door de stad te zwalpen, bange singles die te druk bezig zijn met relatieberekeningen en niet beseffen dat sommige avonden spontaan tussen lakens eindigen. Dat de volgende ochtend teleurstelling kan brengen, geef ik grif toe, maar dit een evidentie noemen gaat me een brug te ver. Is zelfs Carrie na een seksuele eerste date uiteindelijk niet met Big getrouwd, zij het dan om het product placement?
Ik benijd ze dus niet, de vrouwen die in gemeenplaatsen de goede afloop van een date willen verzekerd zien. Want het spel van het flirten wordt nu eenmaal op een onvoorspelbaar niveau gespeeld en rules zijn daarin even nuttig als bijgeloof. Dus leg ik me erbij neer, dat ik soms te veel zal verwachten van een paar mooie woorden en dat ik mij zal vergissen in braaf lijkende jongetjes die flierefluiters blijken te zijn. Maar ik neem me voor hen vanaf nu altijd zelf te bellen in geval van twijfel. Want dat is pas tegen de regels.
'Jij hebt gewoon last van een ingebeelde verliefdheid'. De diagnose van L., al enkele weken vriendin met weekenddienst wat mijn liefdesleven betreft, was onverbiddelijk. Het gevoel waar ik al weken mee overhoop lig, bleek een ingebeelde vlinder. Een fantoomkriebel, om het zo te noemen. Een medicijn kende ze niet direct, maar gemakkelijkheidshalve veronderstelden we dat een gin tonic of drie de ergste symptomen wel zouden verhelpen. In het beste geval blijkt de hoofdpijn de dag erna ook ingebeeld.
De schuld van mijn ingebeelde verliefdheid leg ik bij de eerste zonnestralen en de idyllische clichés die ze bij een mens oproepen. Bij lente hoort nu eenmaal prille liefde, die is even onontbeerlijk dan cocktails en flodderjurkjes. Op een terrasje rondkijken of je vlam niet 'toevallig' passeert, dàt is lente. Anders kan je net zo goed het hele seizoen in je joggingbroek rondlopen. Dus enkel en alleen om mijn garderobe alle eer aan te doen, moest ik een nieuwe liefde vinden. En snel, want liefde wacht niet en zonnige dagen zijn tot nader order relatief zeldzaam in onze contreien. Toen vrienden me dus voorstelden aan hun nieuwe bandlid, gitarist, relatief knap en bovendien net single, lag de keuze voor de hand. Dit was de potentiële vader van mijn kinderen, of althans iemand die mij kon bekwamen in de productietechnieken ervan.
Drie weken later blijkt de affaire die ik met hem begon een niet zo idyllisch spelletje op hoog niveau te zijn. En bijna was ik in de waan dat mijn lentezonde een destructieve romance werd, zo eentje van het soort waar je euforisch en ongelukkig van wordt afhankelijk van hoe nuchter hij je belt. Bijna. Want nadat ik op een avond vol drama had geroepen 'dat ik hem niet meer wilde zien', bleek ik hem 's anderendaags plots niet te missen. Waarmee ik mezelf een sessie huilbuien en mijn vriendinnen een hoop gezeur bespaar, en er een wijze les voor het potentiële nageslacht aan overhoudt: een ingebeelde verliefdheid is, net als een cocktail op een zwoele zomeravond, niet ongevaarlijk.
"Wat heeft ze nu weer ààààààààn?". Wanneer vriendin M. op het appel verschijnt, duurt het meestal niet lang voor iemand dit zinnetje in mijn oor fluistert. Alsof M. plots meer mijn dan hun vriendin is als het op de keuze van haar outfit aankomt. 'Ze is nog jong', herhaal ik geroutineerd, terwijl ik zuchtend naar haar nauwelijks bedekte boezem kijk en mij afvraag hoe ze die billen in dat minirokje gepropt heeft.
Niet dat ik iets heb tegen decolletés of korte rokjes, integendeel - voor wie zich ooit een nageslacht tot doel heeft gesteld, zijn ze zelfs noodzakelijk. Maar wanneer iemand zelfs gaat solliciteren met zichtbare bh-kant en het als een compliment beschouwt wanneer een spontane student haar aanspreekt met 'tetten', is het tijd om in te grijpen. Al wil mijn aangeboren gevoel voor tact wel eens in de weg staan om zoveel pijnlijke waarheid hardop uit te spreken.
Dus besluit ik haar mee uit winkelen te nemen. En advies te geven: zou je geen rolkraagtruitje proberen en ik dacht echt dat die broek je een maatje groter beter stond. Afkeurend kijkt M. in de spiegel, mijn innerlijke Trinny en Suzannah negerend. Om vervolgens te opteren voor een doorkijkjurkje, dat ze naar eigen zeggen 'sexy' vindt. Zelden was de grens met vulgair zo dun, maar in de naam van de vriendschap hou ik mijn mond. En ik neem me voor haar de eerstkomende drie maanden niet op een feestje tegen te komen.
Tot we aan de kassa komen, waar ik het ergste verwacht (ga je dat ààààndoen?) - maar nee, met een ongelofelijke professionaliteit pakt de verkoopster het doorkijkgeval in, noemt zonder verpinken de prijs en wanneer de bankkaart opgediept wordt, steekt ze het pakje resoluut in een zak waarop in grote letters 'nightwear' staat. Ik zie M. bleek worden, maar in mezelf jubelt een stijlnonnetje om zoveel rechtvaardigheid. En misschien vergis ik mij, maar ik denk dat de verkoopster even discreet naar me knipoogt. Zoals het een icoon van tact betaamt.
Niks. Helemaal niks. En dat al twee maanden lang. Twee maanden en half, eigenlijk, als ik toch eerlijk ben. En ik weet niet goed hoe ik ermee om moet gaan, met deze seksuele sahara na jaren van oases en palmbomen en van die cactussen waar voedend water uitstroomt als je er een gaatje in maakt. Wat gebrek aan uitwisseling van speeksel al niet met een mens kan doen.
Het hangt natuurlijk een beetje samen met het feit dat ik, al een paar maanden lang, behoorlijke nestdrang vertoon. Daar waar ik op donderdagavond vaak nog tot in de late uurtjes de leukste feestjes afschuimde, om vrijdag keurig op tijd achter mijn bureautje te zitten na zo’n drie uur slaap, om dan vrijdagavond weer als een gek het nachtleven in te duiken, net zoals zaterdag, zodat ik zondag totaal uitgeput mijn bed inkroop, tot woensdag kon recupereren, om dan weer opnieuw te beginnen. Nooit moe, altijd in de mood voor een dansje en altijd de eerste om klaar te staan voor een nieuw feestje. Nu ben ik al moe als ik tot elf wat ga drinken, en de volgende ochtend om acht er weer uit moet. Ik apprecieer opeens de charme van een gezellige avond thuis op de bank – want buiten is het toch zo koud –en verkies een rustig boek boven een stevig feestje. Plots worden de was en strijk prioriteiten, begin ik te denken over welk soort sla het best bij die soort kaas past en ben ik op zoek naar matching bloempotten bij dat nieuwe plantje. Gezellig allemaal, en we moeten allemaal eens groot worden (Yeah Right..) en je hebt al wel eens van die periodes dat je de charmes van het huisvrouwtjesbestaan inziet, terwijl je niet snapt waarom je vroeger ook alweer tot vijf uur op al die feestjes bleef. Zo’n periodes zijn niet abnormaal. Maar zo’n periodes zijn allesbehalve productief voor liefdes- en seksuele avonturen. En het is net dat wat me dwars zit.
Dus bedacht ik me dat, aangezien ik niet zo vaak nieuwe mensen tegenkom, ik het misschien maar moet doen met diegenen die ik al ken (no pun intended). Echt moeilijk kan dat niet zijn, denk ik zo, aangezien zowat de helft van de mensen die ik ken zonder al te veel problemen een seksrelatie opzetten en onderhouden. Het is gewoon een kwestie van iemand te kiezen die je wel ziet zitten, en waarvan je eigenlijk al weet dat het op dat vlak nogal klikt, die er een beetje goed uitziet en die vooral niet moeilijk doet tussendoor en achteraf. Vervolgens moet je dat ding gewoon in gang zetten en hupsakee, zeg maar dag aan de sahara!
Veel keuze is er niet (vooral niet nadat ik mijn homoseksuele vrienden heb geëlimineerd. Dat lijkt me toch het beste), dus mijn slachtoffer is snel gekozen. Nu nog verleiden en we zijn vertrokken, en, laat ons eerlijk zijn, echt veel moeite is daar ook niet voor nodig. Een blik hier, een lachje daar, wat strategisch getimede aanrakingen en voor je het weet ben jij degene die verleid wordt. Alleen blijken mijn technieken niet zo overtuigend als ik ze met voorbedachte rade toepas. Of beter gezegd: ik geloof niet zo in mijn technieken nu ik weet dat ik maar één doel voor ogen hebben. Mijn blik hier wordt een verlegen blik naar de andere kant, een lachje daar wordt wat vreemd gegrijns naar de grond en die strategisch getimede aanrakingen blijken plots zo’n big deal, dat ik die maar laat voor wat ze zijn. De wat meer opvallende ways to go zijn al helemaal geen optie als ik zo zelfbewust ben en plots drie keer begin na te denken over wat ik zeg en wat ik doe en over mijn kort kopje en over waarom ik geen lange lokken heb om eens zwoel mee te zwieren. Want daar vallen mannen toch voor, is dat niet eens wetenschappelijk vastgesteld? Blijkbaar ben ik erg goed in sexy doen als ik het zelf niet weet, en word ik een enorme kluns als ik het net probeer te zijn.
Na zo’n vier mislukte pogingen, en de mededeling van een vriend dat ‘mannen subtiele hints niet snappen, en je het best gewoon maar eens een keertje vraagt in een sms’, besluit ik er maar mee te stoppen. Of liever, er nooit meer mee te beginnen. Ik wacht wel tot dat nestelgedoe weer weggaat. En mijn sahara vanzelf weer wat water krijgt. Of er iemand langskomt met een gietertje.

Nieuw commentaar