Ik heb een geheim. Een zwakte die ik alleen opbiecht wanneer de praktische omstandigheden me ertoe verplichten. En nee, dan heb ik het niet over mijn soms schaamtelijke alcoholgebruik (daarvan is ondertussen iedereen op de hoogte), maar over een gênante kwestie die met de jaren alleen vervelender wordt: ik kan niet autorijden.
Niet dat ik het nooit geprobeerd heb: vijf jaar geleden reed ik met enig misplaatst zelfvertrouwen voor het eerst de snelweg op. Resultaat: de auto van mijn moeder bijna verkreukeld en ik langs de pechstrook, huilend als een kind op een enge kermisattractie: 'ik wil hierui-uit!!!!'. De rest van mijn studententijd bleef ik veilig aan de toog zitten, verkondigend dat mensen evolutionair gezien ongeschikt zijn om tegen 120 over de snelweg te racen. Ik vermoed dat in die tijd ook mijn onvoorwaardelijke liefde voor gin-tonics ontstaan is.
Ook toen ik later freelance aan de slag ging, was er geen probleem - ik werkte lekker thuis en om de gang over te steken had ik hoegenaamd geen auto nodig. Maar dan vind je, zoals men dat noemt, de job van je leven, die heel wat verder van je bed blijkt te liggen dan de woonkamer - een kilometer of zeventig, om precies te zijn. En tenzij je graag tijd spendeert met het wachten op vertraagde treinen, gemiste aansluitingen en kapotte bussen, lijkt een auto plots niet meer zo'n overbodige luxe.
Dus ben ik er opnieuw aan begonnen, met de moed der wanhoop. En na een klein maandloon gespendeerd te hebben aan rijlessen, kan ik nog steeds niet invoegen, durf ik nog altijd de snelweg niet op en begrijp ik niets van de Top Gear-achtige termen waarmee mijn vrienden me adviseren. Maar met een dapper 'yes we can'-gehalte zet ik door, in de hoop binnen een half jaar de begeerde woorden 'ik ben met de auto' te kunnen uitspreken. En tot die tijd bestel ik met veel plezier een gin-tonic te veel. Nu het nog mag.

Nieuw commentaar